Eemland

Verdriet en ik

Verdriet en ik

auteur: Teun Guyt

 Verdriet en ik

Ik had hem niet direct in de gaten. Daarvoor was ik nog te druk met alles; met regelen, met opruimen, met mij afvragen wat er eigenlijk allemaal gebeurd was, met mijzelf bij elkaar rapen. Dat allemaal. Ik was nog niet aan hem toe. Maar al snel nam hij bezit van mij. Eerst bezorgde hij mij een bedwelmende roes. Verdoofd dwaalde ik als in een droom rond door een onwerkelijk, nevelig landschap bevolkt door meelevende schimmen die vanuit de verte het woord tot mij richtten. Een losgeslagen stuk ruimtepuin, zwevend door het heelal. Zo voelde ik mij.

En ik hoorde mijzelf antwoord geven (Major Tom to ground control).  'Nee heus, het ging best wel goed hoor, een beetje moe maar verder alles onder controle'. 'Eten, slapen, drinken, alles doet het nog. Dat gaat goedkomen met mij, let maar op'. Ik zou dit doen en dat doen en zus doen en zo. Ze zouden nog versteld van mij staan. 'Je doet het fantastisch!' jubelde een vriendin die kennelijk zicht had op de puntentelling.

De roes ebde weg. En hij toonde mij zijn ware gezicht. Venijnig en rauw. Ik kende hem al langer. Hij was wel eerder in mijn leven voorbijgekomen, voor kortere of voor langere tijd, om dan vanzelf weer te verdwijnen zodat ik hem op den duur vergat. Maar dit was anders. Nu scheurde hij mij uit elkaar, benam mij de adem, zoog alle energie uit mijn lijf, sloeg grote gaten in mijn geheugen zodat ik mij de meest voor de hand liggende dingen niet meer kon herinneren, kroop in mijn spieren en in mijn botten die verstijfden onder zijn aanwezigheid. Als een tiran eiste hij mijn volledige aandacht op. Niets kon ik meer doen zonder zijn nadrukkelijke bemoeienis. Hij stond met mij op, en hij ging met mij naar bed. Zo bracht ik hele dagen en lange nachten met hem door. Met hem alleen.

Hij bracht ook veel praktisch gedoe met zich mee. Beslagen brillenglazen, natte wangen, de zilte smaak van traanvocht in je mond, vlekken op je overhemd, een vochtige kussensloop,  snel wegkijken,  gepluk aan tissues, even het toilet in schieten of schielijk de gang op. Ongemakkelijke stiltes. Het hoorde er allemaal bij. Overal ging hij met mij mee. Op mijn werk, op feestjes en op verjaardagen zat hij naast mij. Mensen keken naar mij en zij zagen hem. Sommigen, de dappersten, durfden te vragen hoe het met hem ging. Anderen kozen er voor om hem maar te negeren. Dat was makkelijker voor iedereen, dachten ze.

Al snel kreeg ik genoeg van hem. Ik wilde van hem af. Ik wilde door. Ik wilde leven. Maar hij ging niet weg. Ik wilde hem het huis uitzetten. Het lukte niet. Ik ging voor hem op de loop, zocht afleiding, andere mensen om mij heen. Hij verdween, om des te nadrukkelijker weer terug te komen zodra het bezoek de hielen gelicht had. Ik begon hem ultimatums te stellen. Een paar weken, een paar maanden, nou vooruit, een jaar dan. Maar dan moest het klaar zijn. Opzouten, opgesodemieterd! Het werkte niet. Ik dompelde mij in hem onder in de hoop dat hij verzadigd zou raken. Het werkte even. Ik probeerde hem milder te stemmen door de plaatsen op te zoeken die van haar geweest waren, om daar onze oude schatten op te graven. Het werkte een poosje. Ik begon over hem te roddelen. Aan iedereen die het horen wilde liet ik weten hoeveel last ik van hem had, hoe hij mij plaagde, mij belemmerde, mij bij alles in de weg stond.

Niets hielp.

 

Gaandeweg begon ik het te begrijpen. Hij kwam voor mij van haar. Hij was haar klokkenluider, haar boodschapper, haar postiljon d´amour.  Als hij er was, was  zij in de buurt. Als ik hem de deur zou wijzen, zou ik haar ook kwijt zijn. Voorgoed. Zij zonder hem, dat ging nu eenmaal niet meer. Die tijd was geweest.

Langzaam, heel langzaam, werd hij wat gezeglijker. Rustiger. Wat minder alert ook. Hij zat minder overal bovenop. Liet mij meer begaan, zonder er direct op los te meppen. Ongemerkt sleten op den duur de scherpste kantjes van zijn karakter.  En hij werd minder eenkennig. Opeens zag ik hem ook bij anderen opduiken. We wisselden dan blikken van verstandhouding uit, een arm om de schouder, een knuffel, een bemoedigend woord.

Nu beweegt hij zich meestal bescheiden op de achtergrond. Aanwezig, maar zonder de andere gasten lastig te vallen. Zo valt hij wel te hebben. Ik moet hem alleen niet  verwaarlozen. Dan wordt hij balorig. Hij doet dan een poosje alsof hij er niet meer is, om mij opeens, op een onhandig moment, ouderwets te overmeesteren. Soms mis ik hem. Dan ga ik hem zoeken. In het bos, op de heide, aan het strand, in de stad, in boeken, tussen de oude foto albums, in haar schriftjes, in haar kledingkast met nog een paar achtergehouden lievelingsstukken, achter de piano. Ik weet hem altijd wel  weer te vinden. 's Avonds zitten we op de bank. Soms moe en somber. Soms wat sikkeneurig. En soms, steeds vaker, hebben we het best gezellig met elkaar. Verdriet en ik.

Amersfoort, 21 maart 2018

Terug naar het nieuwsoverzicht