Het Hogeland

Taalcafé Winsum

“Wat is kunstmatige inseminatie?” Over het antwoord op die vraag, moeten de vrijwilligers van het Taalcafé in het Groningse Winsum even nadenken. Luwam wacht geduldig af, pen en papier in de aanslag. Zij is duidelijk met één doel naar het Taalcafé in de bibliotheek van Winsum gekomen: Nederlands leren en
liefst zo snel mogelijk. Al een half uur voor aanvang is ze aanwezig.

Als ze even tijd heeft, komt Luwam naar het Taalcafé om haar Nederlandse conversatie te oefenen. “Ik ga volgend jaar een opleiding in de zorg doen,” legt ze uit. “Want ik wil heel graag mensen helpen, al van kleins af aan. Als kind wilde ik dokter worden maar dat kon niet in Eritrea. Nu wil ik deze opleiding doen.”

Even later druppelen ook de andere deelnemers binnen. Ze begroeten elkaar en de vrijwilligers als oude vrienden, met zoenen en knuffels. Noorna heeft brownies meegenomen. De traktatie vindt gretig aftrek. Alleen Ben tast niet toe. Hij pakt zijn buikje beet en zegt lachend: “zes maanden!”

Het Taalcafé in Winsum bestaat sinds 2014. Eliza Gussenhoven, coördinator Taalproject van de afdeling Humanitas ̓t Hoogeland, vertelt hoe het café is ontstaan uit een vraag van het UWV. “Zij zagen Oost­Europese vrouwen verpieteren. Die hoeven immers geen inburgeringscursus te doen en hadden dus ook geen kans om contacten te leggen. Het UWV vroeg ons iets voor deze vrouwen te organiseren. En zo is het Taalcafé ontstaan.”

Het café liep vanaf het begin heel goed. “De deelnemers beleefden het echt als hun ding. We zaten midden in het dorp en de deelnemers zetten zelf koffie en thee.” Het Taalcafé vindt inmiddels iedere week plaats en trekt uiteenlopende deelnemers. Zoals nieuwkomers, die nog bezig zijn met hun inburgering. Maar ook mensen die nog bezig zijn met hun inburgering en mensen die al klaar zijn en daarna in een gat vallen. Ook mensen die met een Nederlander zijn getrouwd en hun Nederlands willen onderhouden, weten hun weg naar het café te vinden.

Iedereen is welkom en kan in het Taalcafé op een ontspannen en informele manier de Nederlandse taal oefenen. “We hanteren geen minimaal taalniveau omdat we geen drempel willen opwerpen,” aldus Eliza. “Als iemand niet zo vaardig is in het Nederlands, krijgt hij iemand van ons naast zich voor uitleg tussendoor. En als de taalniveaus heel verschillend zijn, splitsen we groep soms op.” De deelnemers hebben volgens Eliza verschillende motieven om de activiteit bij te wonen. “Het kan om de taal gaan of om even weg te zijn uit huis, of om de eenzaamheid op te lossen. Het maakt mij niet uit welk gat ermee gevuld wordt, ze zijn allemaal welkom.”

Het Taalcafé onderscheidt zich van taalcursussen die deel uitmaken van het inburgeringsprogramma doordat het café zich op een informele aanpak richt. “De sociale vaardigheden zijn heel belangrijk bij ons. We bespreken bijvoorbeeld hoe we er in Nederland mee omgaan als iemand is overleden. Of we bespreken festiviteiten zoals Koningsdag. Wat is dat en waar gaat die dag over?”

Vandaag opent vrijwilliger Resi de bijeenkomst met een tekst over de aanstaande beestenmarkt in Winsum, de baistemaart in het lokale dialect. “Weten jullie wat een beestenmarkt is?” wil ze weten. Ben oppert dat een markt een soort winkel is en Noorna vult aan dat het iets met dieren te maken heeft. Al lezend worden begrippen als traditioneel, jaarlijks en motto uitgelegd. Niet alleen de vrijwilligers, ook de deelnemers zelf dragen regelmatig uitleg aan. Ben blijkt de grappenmaker van de groep. Met de vraag of je de dieren op de markt ook kunt kopen (“Lekker!”), krijgt hij de lachers op zijn hand. Luwam schrijft intussen elk woord dat ze niet kent op in haar schrift. Dan komt er weer een moeilijk woord voorbij: spijbelen. Dat kennen jullie vast niet, zegt de vrijwilliger. “Jawel hoor,” antwoordt Luwam ad rem. “Dat heb ik vroeger veel gedaan. En dan ging mijn moeder heel veel praten. Dan is straf eigenlijk beter...”

Tijdens de bijeenkomst wordt er alleen Nederlands gesproken. Hooguit wordt er kort even Engels gebruikt om iets uit te leggen. Natuurlijk mogen de deelnemers ook onderling in hun eigen taal even iets aan elkaar uitleggen. Maar het is niet de bedoeling dat de deelnemers discussies in de eigen taal aangaan. Wat opvalt tijdens het café, is de manier waarop de vrijwilligers de deelnemers verbeteren. Niet door te zeggen dat iets fout is, maar door te herhalen wat de deelnemers proberen te zeggen, maar dan op de juiste manier. Eliza: “We werken samen met Het Begint met Taal, een organisatie die de kwaliteit van het vrijwillige taalonderwijs ondersteunt. Zij hebben ons workshops gegeven over vragen als hoe je het best mensen kunt corrigeren en hoe je ervoor zorgt dat de deelnemers zelf aan het woord zijn. Dat kun je bijvoorbeeld doen door te ‘pingpongen’. Je stelt jezelf voor en legt vervolgens de bal bij een ander. Ik heb drie kinderen, en jij?”

Belangrijk is volgens Eliza ook de manier waarop vrijwilligers de deelnemers benaderen. “Bij de intake vraag ik altijd: heb je affiniteit met nieuwkomers? Als je een houding hebt van ‘ik zal het ze wel eens vertellen,’ dan ben je bij ons niet aan het juiste adres. Je moet wel begaan zijn met hun lot. Dat is belangrijker dan dat de vrijwilliger veel kennis van de grammatica heeft.”

                                                 
In het tweede deel van de bijeenkomst maken alle aanwezigen een kettingzin. Iedereen schrijft eerst een naam op een briefje, vouwt een strookje om en geeft het dan door. Daarna wordt er achtereenvolgens een werkwoord, plaats en uitspraak opgeschreven. Na afloop leest iedereen een zin voor. Het resultaat levert gekke zinnen op als: ‘Resi zwemt samen met de keeper en dan roepen ze: dat moeten we vaker doen!’ Om elke zin wordt smakelijk gelachen. Haben vindt de oefening zelfs zo leuk dat ze het de volgende keer graag weer wil doen en kondigt aan het spel ook met haar familie te gaan spelen.

Na twee uur zit het erop en nemen de deelnemers weer met dikke zoenen afscheid. Ze hebben veel nieuwe woorden geleerd, weten nu wat er op de beestenmarkt te beleven is en hebben duidelijk een fijne middag gehad. “Wat het Taalcafé leuk maakt, is de gezelligheid en het enthousiasme van de deelnemers”, beaamt vrijwilliger Ria. “Veel van hen hebben weinig contacten in het dorp en met hun buren, zodat ze niet veel gelegenheid hebben om Nederlands te spreken. Dat kan hier volop.”

Coördinator Eliza is vooral heel trots op haar deelnemers. “Ze zijn heel gemotiveerd. Vaak hebben ze het druk met dingen regelen. Kinderen moeten naar school, er is iemand ziek en ze moeten alles wat ze meegemaakt hebben verwerken. Als je dan toch op je vrije middag naar het Taalcafé gaat, waar je ook niet echt uitgerust van terugkomt, geeft dat wel aan hoe gemotiveerd je bent. Ze hebben er veel voor over om voor zichzelf en hun kinderen een goede toekomst in Nederland op te bouwen. Ik heb een dikke opleiding gehad en heb veel respect voor mensen die op hun eigen houtje ver komen. En dat zijn deze mensen hè? Het lukt ze vaak niet om een reguliere baan te scoren, maar ze geven niet op.”

Terug naar het nieuwsoverzicht