Levensboek van Ruiner Roelie van der Hoek aan Joodse familie opgedragen „Ik had ze lief en dat maakte uit”

Ruinen/De Wijk – Roelie van der Hoek-Boog uit Ruinen voelde vorig jaar haar levenseinde naderen. Ze had nog een belangrijke opdracht, zo vond ze zelf: haar herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog delen, opdat mensen het niet vergeten. Een boek dat opgedragen wordt aan de Joodse familie Krieker.

Met dank aan Humanitas Zuid-Drenthe kwam haar wens uit: het levensboek van de 10 juni 2019 op 83-jarige leeftijd overleden Roelie werd geschreven. Het verhaal is opgetekend door Wil van den Berg, psycholoog in Ruinen en vrijwilligster bij Humanitas. Sinds een jaar biedt Humanitas Zuid-Drenthe de mogelijkheid aan mensen om hun verhaal te doen, wat door vrijwilligers wordt opgetekend. Coördinator in deze regio is Hilde Makkinga uit de Wijk, die zes vrijwilligers op de lijst heeft staan om de verhalen aan te horen. „Ik doe het zelf ook, het is heel leerzaam. We komen pas in actie als de mensen het echt zelf willen, als mensen door anderen over de streep zijn getrokken, wordt het vaak niets.”

Roelie van der Hoek in Ruinen was al langer ernstig ziek, had een deel van het verhaal al aan haar kleinzoon verteld, maar die had daar toch te weinig tijd voor. Toen werd Wil van den Berg aan Roelie gekoppeld, drie sessies vonden plaats, een vierde kwam er niet meer van. „Ze was heel gedreven en had vanaf haar tweede jaar herinneringen. Ik had eerst geen idee welke kant het op zou gaan. Haar verhaal raakte me eigenlijk pas toen ik het opgeschreven had”, vertelt Wil. De auteur van dit levensboek pleegde veel research, om het verhaal nog beter tot uitdrukking te laten komen. „Er zit veel spanning in het verhaal van Roelie, het heeft me meer tijd gelost dan verwacht”, licht Wil toe. „Dat zit ook in jouw aard, om van alles op te zoeken”, lacht Hilde.

Concentratiekampen

Roelie had zelf in de loopt der jaren veel onderzoek gedaan, onder meer naar de concentratiekampen waar Joden via Westerbork naartoe werden getransporteerd. „Afwisselend met mijn man, kinderen en/of kleinkinderen ben ik naar Westerbork, naar Bergen-Belsen in Duitsland en in 2018 nog naar Natzweiler-Struthof in Frankrijk geweest. Ik heb levendige herinneringen vanaf mijn tweede jaar en in het bijzonder aan de oorlogsperiode in de Rivierenbuurt in Amsterdam-Zuid. Wat in die tijd is gebeurd, mag nooit vergeten worden. Toen ik in verwachting was zei ik: Als het een meisje is geven we haar een Joodse naam. Mirjam vonden we een mooie naam”, zei Roelie er zelf over.

„Het verhaal geeft ook een sfeer van die tijd”, zegt Wil. „Ik vond het ontroerend om te lezen, het is het verhaal van een kind. Ik heb veel oorlogsverhalen gelezen, maar niet vanuit deze hoek. Er zit geen enkele haat in, het is een waarneming”, constateerde Hilde Makkinga. Wil vult aan: „Het is een open en oprecht verhaal, Roelie was ook heel puur.”

Links Hilde Makkinga, rechts vrijwillig-schrijfster Wil van den Berg. (© Artizzl Media / Peter Nefkens)

Passages

Het boek legt de nadruk legt op  de eerste tien jaar van het leven van Roelie van der Hoek-Boog,  vanaf 1935 tot het einde van de oorlog. Ze werd geboren in Rotterdam-Zuid, voor de oorlog verhuisden ze naar Amsterdam, waar in de Rivierenbuurt nogmaals verhuisd werd. Hier enkele passages uit het boek, dat overigens in een kleine oplage voor de familie wordt uitgegeven.

„We woonden in een buurt met veel Joodse gezinnen. In de zomer van 1940 ging ik naar de fröbelschool en ik zat in een klas met bijna allemaal Joodse kinderen. Anne Frank heeft een paar jaar eerder dan ik op dezelfde fröbelschool gezeten. Op 1 september 1941 werd het een school voor Joodse kinderen en mocht ik er niet meer naar toe.”

„Op een avond laat stonden mijn ouders op het balkon te kijken. Het was pikkedonker, de lampen mochten buiten niet branden. Er vlogen vliegtuigen over. In de Vechtstraat tegenover ons viel een bom. Door de luchtdruk vloog een jonge vrouw met haar bed naar buiten en kwam beneden in de tuin terecht. Hoe ik uit bed ben gekomen, weet ik niet meer. Ik stond ineens in de kamer in m’n gebreide onderjurkje.”

„In de Eemsstraat hadden we kennis gemaakt met de familie Krieker, zij woonde op nummer 23. De vrouw vroeg me: ‘Wil jij wel met mij een boodschap doen?’ en ik vroeg aan mijn moeder of dat mocht. Moeder keek ons na. Ze was een hele lieve vrouw en van die dag af ging ik zeker vijf keer in de week op bezoek. Al gauw noemde ik hen tante en oom Kriekra. De naam kon ik niet goed uitspreken. Omdat ik niet bij de bel kon, stond ik voor de deur en riep: ‘Tante Kriekra!’ Ik werd door hun Troeladiee genoemd. In 1941 kwam de verordening van de gele Jodenster. Toen pas had ik door dat de Kriekers Joods waren. Dat maakte voor mij geen verschil. Ik had ze lief en dat maakte uit.”

„In het clubhuis van de speeltuin aan de Gaaspstraat heb ik in 1940 het Sinterklaasfeest nog meegemaakt. Tot 1 november 1941 was ik lid. Daarna werd de speeltuin een Joodse markt. Er kwam een hek omheen en vanaf 3 november 1941 mochten Joden alleen nog op de Joodse markt kopen en verkopen. Als de Joden daar hun inkopen deden, was er diverse keren een overval van Duitse soldaten en werden de mensen afgevoerd naar de Hollandsche Schouwburg. Er kwam een noodspeeltuin in de Gaaspstraat, dichterbij de huizen. Af en toe hoorde ik kinderen roepen: ‘Razzia’ en zag ik ze naar huis rennen. Een keer hoorde ik een jongetje roepen: ‘Mama, mama!’ Hij zag zijn moeder weggevoerd worden. Doodsangsten heb ik uitgestaan.”

„Kort na het huwelijk van dochter Chelly en verloofde Jacques Stokvisch, werd oom Krieker opgeroepen om naar Westerbork te gaan. Hij is bij mijn moeder geweest om afscheid van me te nemen. Helaas heb ik hem toen niet gezien. Met hulp van tante Krieker heb ik een briefje geschreven naar oom. Er mochten 25 woorden op. Je moest niet wagen er meer op te zetten. Sinds de dag dat oom Krieker weg was, zag ik tante Krieker elke dag huilen.

Toen ik zeven werd kwam tante Krieker aan de deur, ze mocht niet verder op bezoek komen. Dat was verboden. Ze bracht me een dik kartonnen boek met een sprookje van Grimm. Ik vroeg: ‘Waarom komt tante Krieker niet even boven?’ ‘Dat mag niet’, werd dan gezegd. Ik snapte dat niet.” 

De familie Krieker overleefde de oorlog niet.

Terug naar het nieuwsoverzicht