De oprichting

Humanitas: ook voor ‘buitenkerkelijken’

Oprichters waren de drie sociaaldemocraten Joris in 't Veld, Piet Faber en Jo Boetje. Hun zorg dat niet-kerkelijke mensen geen maatschappelijk vangnet hadden, leidde tot de 'Stichting voor Maatschappelijk Werk op Humanistische Grondslag' – al gauw 'Humanitas' genoemd.

Het begon klein, op een bovenkamertje met – zo vlak na de oorlog – gebrek aan van alles: papier, meubels, een fiets. Maar met een geleende schrijfmachine gingen ze voortvarend te werk en er kwamen afdelingen door het hele land. Eerst in Utrecht, toen Amsterdam en daarna in Rotterdam. Begin 1946 telde de stichting al 23 afdelingen en op 1 januari 1947 waren dat er 36.

Om alles in goede banen te leiden, richtte Humanitas 'secties' op: Algemeen Maatschappelijke Zorg, Kinderbescherming, Reclassering en Gezinsverzorging. Dit sloot naadloos aan bij de activiteiten van de landelijke overheid, die zorgorganisaties opzette die samenwerkten, ongeacht signatuur of levensovertuiging.